Beeldend Kunstenaar

Rik Dijkhuizen

Tekst: Liza Voetman
Gastkunstenaar juli 2022
 
HET BELICHAMEN VAN RUIMTE
 
 ‘We are all bodies of water. […] ebbing, fluvial, dripping, coursing, traversing time and space, pooling as both matter and meaning. […] The space between our selves and our others is at once as distant as the primeval sea, yet also closer than our own skin – the traces of those same oceanic beginnings still cycling through us.” Het zijn de woorden van cultuurtheoreticus Astrida Neimanis (2012) waar ik in de busrit terug naar huis aan dacht. Ik mompelde haar geschreven woorden in mijn hoofd en droeg haar zinnen de opvolgende dagen bij me, wanneer ik stilstond bij mijn bezoek. “Water entangles our bodies in relations of gift, debt, theft, complicity, differentiation, relation. […] Our distant and more immediate pasts are returned to us in both trickles and floods.” 1 De schrijfster onderwijst ons een belangrijke les: in de grensgebieden van dat wat comfortabel is, wat wellicht zelfs leefbaar is, daar kunnen we ons openen voor alteriteit. Ons openen voor andere lichamen en andere manieren van zijn en handelen in de wereld; erkennend dat deze alteriteit gelijktijdig door onszelf heen aan het vloeien is.2 Midden in het atelier stond een opgemaakt bed gemaakt van zwembadliner. Tegen een achterwand van gereedschap en halve projecten en te midden van een vloer met verfspatten voelde ik: het bed moest zijn verplaatst. Dislocated dat het object hier stond, wekte het vooral veel vragen. Zou men erop gaan zitten, erin willen liggen? Ik liet mijn aandacht er een poos op rusten en bestudeerde de strakgespannen deken, ik navigeerde over het hoofdkussen zonder plooi. De replica was als een echo van een ruimte elders, weggetrokken uit haar realiteit – plotsklaps in het hier en nu. Vanaf de bruine, leren bank waar ik naast Dijkhuizen op had plaatsgenomen, knikte het gladde PCV mij verwelkomend tegemoet. DE MACHT Dijkhuizen’s atelier in Dongen was gevuld met referenties. Al voorafgaand aan zijn komst was ingepakt: een boek van Astrida Neimanis, van Boris Groys en van Zygmunt Bauman, een blauwe zandbakschelp – zo eentje waarin wij als kinderen speelden – en een paar gele emmers. Het witte schot in zijn atelier hing vol papiervellen gevuld met tekst. Ik bladerde door het boek met Bauman’s woorden. Dijkhuizen’s project leek hier in die geest te groeien. Als we onze lichamen en de tijd waarin we leven als waterig beschouwen, of: vloeibaar, zoals Bauman dat dus deed, dan pleite Dijkhuizen vast voor oplettendheid. Oplettendheid naar het wegsmelten van sociaal-maatschappelijke zekerheden, en de frictie die dat tekent. Oplettendheid naar maatschappelijke kaders die onze werkelijkheid sturen en dicteren, al lijkt het soms nog zo van niet. Hunkerend naar controle, grip en beletteringsborden op het station, citeerde Dijkhuizen een machinist: ‘Daar, meneer, daar mag U roken. Dáár: achter die streep.’ Oplettendheid, maar ook een nadrukkelijker bewustzijn rondom de manier waarop we in verband staan met onszelf en met elkaar, onze landschappen en onze tijd. En hoe daaruit gedeelde zorgzaamheid kan voortkomen. GGz Breburg: een privéterrein met eigen regels, een gesloten context met een eigen verhaal. Het is de context waarin Dijkhuizen een maandlang verbleef. We spreken er die dag uitvoerig over. Als schot in de roos was deze residentie op zijn pad gekomen (een plek voor mentaal welzijn, de ruimte die kunst hierin kan zijn: 1 en 1 was 2!). Hij wist: “Ik ga een film maken waarin onze emoties als waterige fonteinen worden verbeeld.” Hij wist: “Een zandbakschelp zal het vehikel zijn waarin ik mijzelf als fontein aan een nieuwe gemeenschap introduceer.” En toch: de context verstilde zijn fixatie al op dag één. Hier, in Dongen, was het de ruimte zelf die om zijn belichaming was gaan vragen. Juist omdat het onmogelijk is je ogen te sluiten, en zwaarte boven lichtheid ons het leven leert. 1 Neimanis, Astrida. Hydrofeminism: Or, On Becoming a Body of Water, 2012 2 Idem. DE RUIMTE Het kostte ons slechts een paar minuten van atelierbank naar isoleercel. We passeerden de idyllische vlakten groen en een smalle beek op rechts. “Het is treffend dat deze rivier als een levensader door het landschap stroomt en onze lichamen voedt, maar tegelijkertijd twee werelden van elkaar scheidt”, vertelt Dijkhuizen. Aangekomen in het GGz gebouw stond de isoleerceldeur open, het plafondlicht was nog aan. Beide had Dijkhuizen bewust gedaan – vroegere bewoners hadden immers ook geen keuze voor privacy. Ik telde alle aanwezigheden in de ruimte: 1) een plasticvloer, 2) een open douche, 3) een douchekop. En verder: niks. Een tweede deur naar de slaapcabine. Ik telde: 1) een dik matras op de grond. Dit laatste was overduidelijk de basis voor Dijkhuizen’s blauwe echo, ergens in een ruimte verderop. En zo verbleven we een tijdje in de kamer. Het originele bed stond niet veilig in een hoek. Het had geen nachtlampje als partner, er was geen glaasje water, en ook geen boek. Er waren muren zonder stopcontacten, er lag geen vloerkleed op de vloer. Als een architecturale compositie die menselijke disciplinering decennia lang beheerste, bezorgde het decor een rilling over mijn rug. Het bed stond middenin de ruimte. Ik verbeeldde de broeders die aan weerzijden toekeken hoe je daarin lag. Te midden van een ruimte zonder verdere aanwezigheden, tuurde je zo de leegte in. Ooit zelfs een leegte zonder raam: de plastic plaat die vandaag uitzicht bood op de tuin daarachter, was destijds ook geblindeerd voor bewoners geweest. De wereld daarbuiten had voor diegene die hier noodgedwongen verbleef helaas nooit zichtbaar mogen zijn. Dit schrijnende verleden van de geïnstitutionaliseerde zorg is als een drager voor Dijkhuizen’s nieuwe choreografie. Muur, bed, hal en douche nemen ons mee in een architecturale compositie werkend rondom disciplinering, stigmatisering en macht. Dijkhuizen grijpt het gevoel met overtuiging vast wat wij vast allen kennen: het gevoel niet mee in de samenleving te kunnen, welke heeft besloten hoe wij ons gedragen moeten. Lukt ons dat niet, dan is dat onze eigen schuld. Als we geen succes bereiken, dan hebben we daar simpelweg vast niet hard genoeg voor gewerkt. Of de angst bang te zijn voor het vragen om een beetje hulp. Bang te zijn dat hulp niet geboden wordt, na de moed te hebben gevonden uit te spreken wat je behoeft. Bang te zijn om deficiënt gelabeld te worden. Gevoelens die geen vreemden zijn. HET WATER De reprimande op anders zijn, en de mentale uitdaging die daarbij komt kijken, voert als blijvende bron van inspiratie in Brabant sterk het toneel. We kijken hier naar blauw. Naar een choreografie. We kijken naar een film met waterige lichamen, waarin Dijkhuizen samen met bewoners in verbinding staat. Ons lichaam, als hydrologie van emotie, functioneert hierin als eb en vloed. Zoals een emmer kan het overstromen. Maar het beschouwen van gedeelde zorg middels water, is iets dat ons allen voedt – zeker in een tijd van vloeibare onzekerheid. Dijkhuizen’s werk start het gesprek over een samenleving omringd door stigmatisering, afgekeurd te kunnen worden als deelnemer – goed bewaakt achter een gesloten deur. Het is de segregatie tussen binnen en buiten dat het werk nadrukkelijk bevraagt. Dijkhuizen’s alternatieve wereld laat ons een gemeenschap vormen, ergens tussen realiteit en fictie in. Het toont een wereld waarin een blauwe replica een cel waterig kan maken, en waarin de echo van ruimte een nieuwe wereld laat ontstaan. Dat is geen wereld waarin wij allen op hetzelfde moment geluk kunnen vinden, maar waarin gedeelde zorg middels water wel mogelijk wordt.